LOADING

VOORBEELDVRAGEN CHEMIE


De antwoordsleutel voor de vragenreeks vind je onderaan

VRAAG 1

Stacks Image 1927

Er zijn allerlei middelen ontwikkeld tegen zweetgeur, die o.a. te wijten is aan de vorming van boterzuur door bacteriën.

In verschillende deodorants is aluminiumhydroxide aanwezig, dat reageert met dit boterzuur.

De stoffen die bij deze reactie ontstaan zijn geurloos.

Wat is de formule van aluminiumhydroxide?

A. AlOH
B. AlOH2
C. Al(OH)2
D. AlOH3
E. Al(OH)3


VRAAG 2

Stacks Image 1934

Er bestaan speciale zooltjes om in schoenen te leggen. Deze zooltjes bevatten actieve kool.

De actieve kool bindt de stoffen die zweetgeur veroorzaken; deze zooltjes worden daarom ook wel ‘geurvreters’ genoemd.

De actieve kool voorkomt de zweetgeur door

A. adsorptie.
B. condensatie.
C. extractie.
D. verdamping.


VRAAG 3

Stacks Image 1941

Voor het verwijderen van geurstoffen, zoals boterzuur, werd een nieuw soort ‘geurvreter’ ontwikkeld. Deze ‘geurvreter’ wordt als kleine vloeistofdruppeltjes met een verstuiver op bijvoorbeeld kleding gespoten. De werkzame stof in dit nieuwe middel bestaat uit ringvormige sacharidenmoleculen. Om deze ringvormige sacharidenmoleculen te maken, wordt glucose als beginstof gebruikt. Bij de vorming van één ringvormig sacharidenmolecule worden zes glucosemoleculen aan elkaar gekoppeld. Daarbij ontstaat ook water:

6 C6H12O6 C36HyOz + 6 H2O

Welke getallen stellen y en z voor in C36HyOz ?

A. y=60 en z=30
B. y=60 en z=35
C. y=70 en z=35
D. y=72 en z=36


VRAAG 4

Stacks Image 1948

Kristalsoda is een witte vaste stof die in de winkel gekocht kan worden in een verpakking van 1,0 kg. Kristalsoda bestaat uit natriumcarbonaat, waarbij een hoeveelheid water in het kristalrooster is opgenomen. De formule van kristalsoda is Na2CO3.10H2O.

De molmassa van kristalsoda is 286 g en die van water 18 g. Bij het oplossen van kristalsoda in hard water (leidingwater) ontstaat een troebeling. Wanneer kristalsoda wordt verwarmd, treedt een reactie op waarbij het water als waterdamp de lucht in gaat:

Na2CO3.10H2O (s) Na2CO3 (s) + 10 H2O (g)

Jan beweert dat kristalsoda voor meer dan de helft uit water bestaat. Om dat te bewijzen brengt hij 2,0 g kristalsoda in een reageerbuis en verwarmt dat net zolang tot er geen waterdamp meer uit de buis komt.

Bereken de massa-afname van de reageerbuis met inhoud ten gevolge van het verdampen van het water uit de 2,0 gram kristalsoda.

A. 0,65 g
B. 1,26 g
C. 0,80 g
D. 1,65 g


VRAAG 5

Een van de grondstoffen voor de bereiding van zink is zinkerts. Zinkerts bestaat voornamelijk uit zinksulfide. In zinkerts komen verschillende verontreinigingen voor zoals cadmiumsulfide.
In onderstaand schema is de bereiding van zink schematisch weergegeven:

Stacks Image 1955

5.1. Wat is de formule van stof X die uit ruimte 1 komt?

A. CO2
B. H2O
C. NO2
D. SO2

5.2. In ruimte 5 vindt elektrolyse van de ontstane zinksulfaatoplossing plaats. Zink ontstaat bij deze elektrolyse aan de

A. kathode (negatieve elektrode), doordat zinkionen negatief zijn.
B. kathode, doordat zinkionen positief zijn.
C. anode (positieve elektrode), doordat zinkionen negatief zijn.
D. anode, doordat zinkionen positief zijn


VRAAG 6

Stacks Image 1962

Acetyleen (C2H2) wordt gebruikt bij het "autogeen lassen". Hierbij laat men acetyleen met zuiver zuurstofgas reageren. De warmte die hierbij geproduceerd wordt is voldoende groot om staal te doen smelten. Bij de verbranding van acetyleen treedt volgende reactie op:

2 C2H2 + 5 O2 4 CO2 + 2 H2O

Om een goede las te krijgen moet een lasser de vlam van de acetyleenbrander zo afstellen, dat acetyleen en zuurstofgas volledig met elkaar reageren.

Bereken het aantal kg zuurstofgas dat nodig is voor de volledige verbranding van 1,00 kg acetyleen
(molmassa C2H2 = 26 g, molmassa O2 = 32 g, molmassa CO2 = 44 g en molmassa H2O = 18 g)

A. 3,08 kg
B. 1,54 kg
C. 6,16 kg
D. 4,62 kg


VRAAG 7

Steven heeft met behulp van een titratie de concentratie kaliumhydroxide bepaald van een oplossing die gebruikt wordt om koffiezetapparaten te reinigen. Uit de fles met de oplossing heeft hij met een injectiespuit 1,0 mL gehaald. Die heeft hij in een erlenmeyer gebracht en enkele druppels broomthymolblauw toegevoegd. De buret heeft hij gevuld met zoutzuur (HCl). De beginstand van de buret is 10,7 mL.
Na de kleuromslag heeft Steven de eindstand afgelezen. Hij heeft dan 7,1 mL zoutzuur toegevoegd.

Welke van onderstaande tekeningen geeft de eindstand van de buret aan?

Stacks Image 1969

A. tekening 1
B. tekening 2
C. tekening 3
D. tekening 4


VRAAG 8

Stacks Image 1977

Je beschikt over een 1 M (1 mol/liter) oplossing van zwavelzuur (H2SO4).

Je neemt hiervan 1 mL en voegt hieraan 99 mL water toe.

Welke is de molariteit (aantal mol per liter) van de resulterende oplossing?

A. 0,1 M
B. 0,01 M
C. 0,2 M
D. 0,02 M


VRAAG 9

Gegeven volgende reactievergelijking:

NaHCO3 + 2 HCl 2 Na+ + 2 Cl- + H2O + CO2

Hoeveel liter koolstofdioxide kunnen volgens deze reactievergelijking bij normomstandigheden geproduceerd worden, wanneer men vertrekt van 1 mol HCl en 3 mol natriumwaterstofcarbonaat?

A. 22,4 liter
B. 44,8 liter
C. 67,2 liter
D. 11, 2 liter


VRAAG 10

Arabische alchemisten waren waarschijnlijk de eersten die zwavelzuur hebben gemaakt. Zij bereidden het zuur door kristallen ‘groene vitriool’ in een grote kolf te verhitten. Groene vitriool is een zout met de formule FeSO4.7H2O.

Wanneer groene vitriool wordt verhit, ontstaan eerst FeSO4 en water. Het ontstane FeSO4 ontleedt vervolgens waarbij een vaste stof en de gassen SO2 en SO3.

De gassen die tijdens het verhitten uit de kolf opstegen, werden in een tweede kolf geleid die gevuld was met water. Het resultaat was een zure vloeistof die onder andere zwavelzuur bevatte. Deze zure vloeistof werd ‘vitrioololie’ genoemd.
De sterkte van de vitrioololie kon op verschillende manieren worden geregeld. Om ‘sterke’ vitrioololie te maken, kan bijvoorbeeld weinig water in de tweede kolf worden gedaan.

Stacks Image 1992

In welke van bovenstaande opstellingen van kolf 2 worden de gassen op de juiste manier door de kolf geleid?

A. tekening 1
B. tekening 2
C. tekening 3
D. tekening 4